ECLI:NL:RVS:2015:554
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderopvangtoeslag wegens ontbreken recht in 2009
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2009 door de Belastingdienst/Toeslagen heeft bevestigd. De Belastingdienst stelde dat appellante's partner in 2009 niet voldeed aan de voorwaarden voor arbeidsinschakeling, waardoor appellante geen recht had op de toeslag en de voorschotten moesten worden terugbetaald.
Appellante voerde aan dat zij en haar partner in 2009 niet duurzaam gescheiden leefden en dat haar partner een WAO-uitkering ontving vanwege volledige arbeidsongeschiktheid, waardoor hij niet hoefde deel te nemen aan arbeidsinschakeling. Zij stelde dat dit ook recht op kinderopvangtoeslag zou moeten geven, zeker voor de periode dat zij niet samenwoonden.
De Raad van State oordeelde dat duurzaam gescheiden leven niet van toepassing was omdat zij na april 2009 weer samenwoonden met intentie een gezin te vormen. Tevens is het feit dat de partner geen gebruik maakte van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling doorslaggevend; medische ongeschiktheid is geen grond voor toeslag. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen recht had op kinderopvangtoeslag in 2009 en dat de terugvordering terecht is.
Verder is de omstandigheid dat appellante een te lage gemeentelijke tegemoetkoming ontving en deze niet kan laten herzien voor haar eigen rekening en risico. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2009 bevestigd.