ECLI:NL:RVS:2015:593
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek uitstel uitzetting wegens medische situatie vreemdeling
De staatssecretaris wees op 12 december 2013 het verzoek van de vreemdeling af om uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat toetsing aan artikel 3 van Pro het EVRM niet aan procedurele beperkingen gebonden is en dat vanwege een medische noodsituatie en ontoereikende zorg in Soedan uitzetting onrechtmatig zou zijn. De Raad overwoog dat toetsing aan artikel 3 EVRM Pro verplicht is wanneer uitzetting op handen is, maar dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat alleen in uitzonderlijke gevallen, waarbij sprake is van een direct levensbedreigende medische situatie zonder adequate zorgmogelijkheden, uitzetting verboden is.
Het Bureau Medische Advisering gaf aan dat een medische noodsituatie op korte termijn niet is uitgesloten, maar dat noodzakelijke behandelingen in Soedan beschikbaar zijn. De vreemdeling betwistte dit niet. De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat uitzetting een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt kennelijk ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.