ECLI:NL:RVS:2015:650
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees de aanvraag van vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, omdat zij zich volgens hem langer dan drie maanden aan het toezicht van de vreemdelingenketen hadden onttrokken. De vreemdelingen stelden dat zij wel in beeld waren bij de relevante instanties, wat de rechtbank Den Haag onderschreef door de besluiten te vernietigen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat de rechtbank zijn uitleg van het beleid ten onrechte zonder terughoudendheid had getoetst en dat het begrip 'onttrekken aan het toezicht' gelijkgesteld moest worden aan 'uit beeld zijn'. Hij stelde dat vreemdelingen een actieve houding moeten hebben om in beeld te blijven bij instanties zoals de DT&V zodra hun verblijfsprocedure is beëindigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de staatssecretaris niet aannemelijk had gemaakt dat het beëindigen van een verblijfsprocedure automatisch betekent dat een vreemdeling uit beeld raakt, omdat IND en DT&V onderdeel zijn van hetzelfde bestuursorgaan. Hierdoor was de motivatie van de besluiten ondeugdelijk. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen werd niet inhoudelijk behandeld omdat het afhankelijk was van het succes van het hoger beroep van de staatssecretaris.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.