AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit CBR ongeldigverklaring rijbewijs en oplegging alcoholslotprogramma wegens strijd met evenredigheidsbeginsel
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verklaarde op 17 juli 2012 het rijbewijs van appellant ongeldig en legde hem een alcoholslotprogramma (asp) op. Appellant maakte bezwaar, dat deels werd toegewezen, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het opleggen van het asp onevenredig was gezien zijn persoonlijke omstandigheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat artikel 17 vanPro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011, waarop het asp is gebaseerd, onverbindend is omdat het niet voorziet in een geïndividualiseerde belangenafweging. Hierdoor kan het asp in veel gevallen onevenredig worden opgelegd, wat strijdig is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het CBR van 22 maart 2013, en beval het CBR een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens schorste zij het besluit van 17 juli 2012 voorlopig tot zes weken na het nieuwe besluit. Het CBR werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs en oplegging van het alcoholslotprogramma wordt vernietigd en geschorst, met opdracht tot een nieuw besluit.
Uitspraak
201305124/1/A3.
Datum uitspraak: 11 maart 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2013 in zaak
nr. 13/1108 in het geding tussen:
[appellant]
en
de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen;
hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het CBR het aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp) deel te nemen.
Bij besluit van 22 maart 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de aan het besluit van 17 juli 2012 ten grondslag liggende aanhoudingsgegevens betreft en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.G.P. Glas, advocaat te Gouda, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het opgelegde asp vindt zijn grondslag in de artikelen 130, 131 en 132 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 17 vanPro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling). In het eerste lid van artikel 17 vanPro de Regeling is uitputtend en dwingend bepaald wanneer een asp wordt opgelegd.
2. In hoger beroep ligt onder meer ter beoordeling voor de vraag of het opleggen van een asp niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, gelet op de gestelde ingrijpende gevolgen die gegeven de persoonlijke omstandigheden van dit geval uit de oplegging van het asp voortvloeien.
2.1. Na de behandeling ter zitting van onder meer deze zaak heeft de Afdeling in zaak nr. 201400944/1/A1 het CBR gevraagd zijn standpunt te geven over de vraag of in de Regeling in voldoende mate wordt vermeden dat de oplegging van een asp in strijd met het verbod van willekeur uitwerkt. In afwachting van het standpunt van het CBR en de uitspraak in die zaak is de uitspraak in deze zaak aangehouden.
Op 4 maart 2015 heeft de Afdeling in zaak nr. 201400944/1/A1 uitspraak gedaan en geoordeeld dat artikel 17 vanPro de Regeling onverbindend is. Daartoe is van belang geacht dat bij de totstandkoming van de Regeling de mogelijk ingrijpende gevolgen van de oplegging van een asp niet afdoende zijn afgewogen, waardoor in een substantieel aantal gevallen artikel 17 vanPro de Regeling onevenredig kan uitwerken omdat het asp moet worden opgelegd aan bestuurders indien aan de in dat artikel neergelegde toepassingsvoorwaarden wordt voldaan, zonder dat daarbij op basis van de persoonlijke omstandigheden van het geval een geïndividualiseerde afweging kan worden verricht. Gelet hierop is in artikel 17 vanPro de Regeling de evenredigheid van de opgelegde maatregel onvoldoende gewaarborgd, zodat dat artikel in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en derhalve onverbindend is, aldus de Afdeling in die uitspraak.
2.2. Gelet op de onverbindendheid van artikel 17 vanPro de Regeling als zodanig, behoeven de hogerberoepsgronden geen bespreking meer. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het CBR van 22 maart 2013 gegrond verklaren. Dat besluit komt, voor zover bestreden, wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het CBR dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om het besluit van 17 juli 2012 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen tot zes weken nadat een nieuw besluit op bezwaar is genomen.
3. Het CBR dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2013 in zaak nr. 13/1108;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 22 maart 2013, kenmerk 2012012963/DS;
V. draagt de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen op om een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 17 juli 2012 tot zes weken nadat een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar is genomen;
VII. veroordeelt de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, griffier.