ECLI:NL:RVS:2015:686
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J. Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boete Wet minimumloon wegens disproportionele sanctie
Appellante kreeg op 16 augustus 2012 een bestuurlijke boete van €288.100 opgelegd wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). Na bezwaar werd de boete verlaagd tot €181.900. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat appellante terecht is aangemerkt als werkgever die niet aan de verplichting voldeed om schriftelijke bescheiden over te leggen over de arbeidsrelaties van 43 aangetroffen personen. De minister was bevoegd de boete op te leggen. Appellante voerde aan dat zij door detentie en inbeslagname van haar administratie niet aan de vorderingen kon voldoen, maar de Raad oordeelt dat zij voldoende tijd had om iemand aan te stellen die haar belangen behartigde.
Belangrijk is dat de Raad van State de boete als onevenredig hoog beoordeelt gezien de slechte financiële situatie van appellante, het faillissement van haar onderneming en het geringe risico op herhaling. De boete wordt daarom gematigd tot nihil. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het besluit van de minister van 6 mei 2013 wordt vernietigd en het primaire besluit van 16 augustus 2012 wordt herroepen.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vernietigd en gematigd tot nihil vanwege de onevenredigheid en financiële situatie van appellante.