ECLI:NL:RVS:2015:704
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J. Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boete wegens overtreding Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
De minister legde op 23 december 2010 aan appellante een bestuurlijke boete van €241.200 op wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). Na gedeeltelijk gegrond verklaard bezwaar werd de boete verlaagd tot €121.100. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de minister terecht uitging van 36 personen die op 15 mei 2009 in de nabijheid van de onderneming van appellante waren aangetroffen en arbeid verrichtten. Appellante kon echter niet de gevraagde stukken overleggen waaruit het aantal gewerkte uren bleek, waardoor het opleggen van een boete gerechtvaardigd was.
Echter, gelet op de financiële situatie van appellante, die inmiddels failliet is, haar onderneming is verkocht en zij een bijstandsuitkering ontvangt, is de opgelegde boete onevenredig. De Afdeling concludeert dat appellante geen reële mogelijkheid heeft om de boetes te voldoen en dat het risico op herhaling gering is. Daarom wordt de boete gematigd tot nihil.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 6 mei 2013, herroept het oorspronkelijke besluit van 23 december 2010 en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vernietigd en gematigd tot nihil wegens disproportionaliteit.