ECLI:NL:RVS:2015:712

Raad van State

Datum uitspraak
11 maart 2015
Publicatiedatum
11 maart 2015
Zaaknummer
201400824/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Hoekstra
  • J.Th. Drop
  • B.P.M. van Ravels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 131 Wegenverkeerswet 1994Art. 132 Wegenverkeerswet 1994Art. 17 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit CBR ongeldigverklaring rijbewijs en oplegging alcoholslotprogramma

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verklaarde bij besluit van 24 juni 2013 het rijbewijs van appellant ongeldig en legde hem een alcoholslotprogramma (asp) op. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het CBR op 25 oktober 2013 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling stelde vast dat de wettelijke grondslag voor het opleggen van het asp is gelegen in artikel 17 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011, welk artikel uitputtend en dwingend bepaalt wanneer een asp moet worden opgelegd. De Afdeling oordeelde echter dat artikel 17 onverbindend Pro is omdat het de evenredigheid onvoldoende waarborgt en daardoor in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gelet op deze onverbindendheid behoefde de Afdeling de inhoudelijke beroepsgronden niet te behandelen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het besluit van het CBR van 25 oktober 2013 vernietigd. Het CBR werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd het besluit van 24 juni 2013 geschorst als voorlopige voorziening tot zes weken na het nieuwe besluit. Tot slot werd het CBR veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het CBR om het rijbewijs ongeldig te verklaren en een alcoholslotprogramma op te leggen wordt vernietigd en geschorst; het CBR dient een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

201400824/1/A1.
Datum uitspraak: 11 maart 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2013 in zaak nrs. 13/5913 en 13/5932 in het geding tussen:
[appellant]
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2013 heeft het CBR het aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht aan een alcoholslotprogramma (hierna: een asp) deel te nemen.
Bij besluit van 25 oktober 2013 heeft CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 december 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Zevenboom, advocaat te Almere, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het opgelegde asp vindt zijn grondslag in de artikelen 130, 131 en 132 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 17 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling). In het eerste lid van artikel 17 van Pro de Regeling is uitputtend en dwingend bepaald wanneer een asp wordt opgelegd.
2. In hoger beroep ligt onder meer ter beoordeling voor de vraag of het opleggen van een asp niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, gelet op de gestelde ingrijpende gevolgen die gegeven de persoonlijke omstandigheden van dit geval uit de oplegging van het asp voortvloeien.
2.1. De Afdeling heeft in zaak nr. 201400944/1/A1 het CBR gevraagd zijn standpunt te geven over de vraag of in de Regeling in voldoende mate wordt vermeden dat de oplegging van een asp in strijd met het verbod van willekeur uitwerkt. In afwachting van het standpunt van het CBR en de uitspraak in die zaak is de uitspraak in deze zaak aangehouden.
Op 4 maart 2015 heeft de Afdeling in zaak nr. 201400944/1/A1 uitspraak gedaan en geoordeeld dat artikel 17 van Pro de Regeling onverbindend is. Daartoe is van belang geacht dat bij de totstandkoming van de Regeling de mogelijk ingrijpende gevolgen van de oplegging van een asp niet afdoende zijn afgewogen, waardoor in een substantieel aantal gevallen artikel 17 van Pro de Regeling onevenredig kan uitwerken omdat het asp moet worden opgelegd aan bestuurders indien aan de in dat artikel neergelegde toepassingsvoorwaarden wordt voldaan, zonder dat daarbij op basis van de persoonlijke omstandigheden van het geval een geïndividualiseerde afweging kan worden verricht. Gelet hierop is in artikel 17 van Pro de Regeling de evenredigheid van de opgelegde maatregel onvoldoende gewaarborgd, zodat dat artikel in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en derhalve onverbindend is, aldus de Afdeling in die uitspraak.
2.2. Gelet op de onverbindendheid van artikel 17 van Pro de Regeling als zodanig, behoeven de hogerberoepsgronden geen bespreking meer. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het CBR van 25 oktober 2013 gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 3:4, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het CBR dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om het besluit van 24 juni 2013 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen tot zes weken nadat een nieuw besluit op bezwaar is genomen.
3. Het CBR dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2013 in zaken nrs. 13/5913 en 13/5932;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 25 oktober 2013, kenmerk 2013011032/SHS;
V. draagt de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen op om een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 24 juni 2013 tot zes weken nadat een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar is genomen;
VII. veroordeelt de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Hoekstra w.g. Deen
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015
604.