ECLI:NL:RVS:2015:739
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde appellant een boete van €18.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na bezwaar en intrekking werd de boete vastgesteld op €12.000. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de boete terecht aan appellant was opgelegd aangezien vreemdelingen onder zijn gezag arbeid verrichtten zonder vergunning. Het betoog dat de boete niet correct bekend was gemaakt, dat appellant niet tijdig was gehoord, en dat sprake was van een schijnconstructie werd verworpen. Ook het beroep op het ne-bis-in-idem-beginsel faalde.
Verder werd geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de boete onevenredig was gezien zijn financiële situatie. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De boete van €12.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd.