ECLI:NL:RVS:2015:78
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering verblijfsvergunning regulier op grond van contra-indicatie bij gezinsleden
De vreemdelingen hadden een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de overgangsregeling voor langdurig verblijvende kinderen. De staatssecretaris wees deze aanvragen af vanwege een contra-indicatie: vreemdeling 3 had meer dan twee verschillende identiteiten opgegeven, wat volgens het beleid een reden is om geen vergunning te verlenen.
De rechtbank had het beroep van de vreemdelingen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd, maar de Raad van State bevestigt nu dat het opgeven van meerdere identiteiten, waaronder het aanbieden van een Nederlands paspoort op een andere naam, een onjuiste identiteit oplevert en dat dit gedrag de uitvoering van het vreemdelingenbeleid frustreert.
Verder oordeelt de Raad dat het gedrag van vreemdeling 3 aan de andere gezinsleden kan worden toegerekend, mede vanwege het risico dat anders ouders de positie van hun kinderen kunnen misbruiken om verblijfsrecht te verkrijgen. Dit oordeel is in lijn met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris wordt niet-ontvankelijk verklaard, en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.