ECLI:NL:RVS:2015:785
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
Bij besluiten van 16 december 2014 wees de staatssecretaris de aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Hiertegen stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdelingen voerden onder meer aan dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld hadden moeten worden, en dat de motivering van de afwijzing van dat verzoek onvoldoende was in het licht van het EVRM. De Raad van State overwoog uitgebreid dat de motiveringsplicht van rechters, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro, niet vereist dat elke aangevoerde grond afzonderlijk wordt besproken, en dat een beknopte motivering bij afwijzing van hoger beroep op grond van artikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 toereikend is.
De Raad van State verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie, en concludeerde dat de wijze van motiveren in deze zaak niet in strijd is met het EVRM of het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verder kon het overige aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de uitspraak.
Het hoger beroep werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.