De raad van de gemeente Noord-Beveland stelde op 27 juni 2013 het bestemmingsplan 'Centrumplan Wissenkerke' vast. Vervolgens verleende het college op 3 juli 2013 een omgevingsvergunning voor de bouw van een supermarkt aan de Voorstraat nr. 40 in Wissenkerke. Hiertegen werd beroep ingesteld door meerdere partijen, waaronder appellant.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een tussenuitspraak van 10 december 2014 dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk voldeden aan de redelijke eisen van welstand, zoals voorgeschreven in de welstandsnota. Hierdoor was het besluit in strijd met artikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht en werd het besluit vernietigd.
Het college herstelde het gebrek door op 15 januari 2015 een nieuwe omgevingsvergunning te verlenen met enkele ondergeschikte wijzigingen. Appellant maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen tegen dit nieuwe besluit. De Afdeling verklaarde het beroep tegen het herziene besluit ongegrond en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
De uitspraak bevestigt het belang van een deugdelijke motivering bij besluiten over welstandseisen en benadrukt de procedurele rechten van appellanten bij hernieuwde besluiten. Het college werd gehouden aan een zorgvuldige besluitvorming en het herstel van gebreken binnen de gestelde termijn.
Uitkomst: Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd; het beroep tegen het herziene besluit wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
201306171/5/R2.
Datum uitspraak: 18 maart 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Noord-Beveland,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad van de gemeente Noord-Beveland het bestemmingsplan "Centrumplan Wissenkerke" vastgesteld.
Bij besluit van 3 juli 2013, kenmerk 02013026, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een supermarkt aan de Voorstraat nr. 40 in Wissenkerke.
Tegen deze besluiten hebben [partij A], [partij B] en [appellant] beroep ingesteld.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
[partij A], [partij B], [appellant], de raad en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2014, waar [partij A], [partij B], [appellant] en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, en drs. K. Seerden en W. Kouwer, zijn verschenen.
Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 10 december 2014, in zaak nr. 201306171/1/R2, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 3 juli 2013, kenmerk 02013026, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 15 januari 2015, kenmerk 02013026, heeft het college, naar aanleiding van enkele ondergeschikte wijzigingen van het bouwplan, opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een supermarkt aan de Voorstraat nr. 40 in Wissenkerke.
[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals neergelegd in de welstandsnota. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat het besluit van 3 juli 2013, kenmerk 02013026, is genomen in strijd met artikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
2. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 juli 2013 gegrond. Het besluit dient derhalve te worden vernietigd.
3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de uitspraak met inachtneming van overweging 16.4 het daar omschreven gebrek in het besluit van 3 juli 2013 te herstellen.
4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 15 januari 2015, naar aanleiding van enkele ondergeschikte wijzigingen van het bouwplan, opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een supermarkt aan de Voorstraat nr. 40 in Wissenkerke. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
5. [appellant] heeft naar aanleiding van het besluit van 15 januari 2015 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant] geen bezwaren heeft tegen het besluit van 15 januari 2015. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.
6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland van 3 juli 2013, kenmerk 02013026, gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland van 3 juli 2013, kenmerk 02013026;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland van 15 januari 2015, kenmerk 02013026, ongegrond;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt;
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Westland, griffier.