ECLI:NL:RVS:2015:805
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake boete Wet arbeid vreemdelingen wegens niet-naleving identificatieplicht
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde [wederpartij] een boete van €1.500 op wegens het niet vaststellen van de identiteit van een vreemdeling die werkzaamheden verrichtte, in strijd met artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond, stelde de boete op nihil en vernietigde het eerdere besluit.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat [wederpartij] als feitelijke werkgever in de keten verantwoordelijk was voor het vaststellen van de identiteit van de vreemdeling, ook al had zij de werkzaamheden uitbesteed aan een onderaannemer en was zij niet op de werkplek aanwezig.
Het betoog van [wederpartij] dat zij niet aan de verplichting hoefde te voldoen omdat zij geen afschrift van het identiteitsdocument had ontvangen, werd verworpen. De Afdeling bevestigde dat de feitelijke werkgever het afschrift zo nodig moet opvragen bij de formele werkgever om aan de verificatieplicht te voldoen.
De Afdeling oordeelde voorts dat de minister terecht geen aanleiding zag tot matiging van de boete, omdat [wederpartij] onvoldoende inspanningen had verricht om de overtreding te voorkomen en de omstandigheden van de overtreding dit niet rechtvaardigden.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee de boete van €1.500 gehandhaafd bleef.
Uitkomst: De boete van €1.500 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, Wav wordt gehandhaafd.