ECLI:NL:RVS:2015:81
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De staatssecretaris heeft op 15 augustus 2013 de aanvragen van een gezin, bestaande uit moeder, vader en vier minderjarige kinderen, om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De vader is bij een onaantastbaar besluit artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen, waardoor de staatssecretaris de aanvraag heeft geweigerd.
De rechtbank heeft het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard en geoordeeld dat het onderscheid dat de staatssecretaris maakt tussen een hoofdpersoon met een gezinslid aan wie artikel 1(F) is tegengeworpen en een hoofdpersoon zonder zodanig gezinslid niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro en Protocol nr. 12. De rechtbank motiveerde dat de staatssecretaris beleidsvrijheid heeft bij het begunstigend migratiebeleid en dat het onderscheid redelijk en proportioneel is.
De vreemdelingen stelden in hoger beroep dat de staatssecretaris onvoldoende vrijheid heeft en dat het onderscheid niet gerechtvaardigd is, onder meer omdat het doel niet wordt bereikt en de gevolgen onevenredig zijn. De Raad van State oordeelt dat de jurisprudentie van het EHRM een ruime beoordelingsmarge toekent aan de staat bij migratiebeleid, dat het onderscheid een gerechtvaardigd doel dient, geschikt is en evenredig is. De omstandigheden van het gezin, zoals de niet-uitzetbaarheid van de vader en de behoefte van de kinderen aan stabiliteit, maken het onderscheid niet onevenredig.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee de aanvraag van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en verklaart het hoger beroep ongegrond.