ECLI:NL:RVS:2015:835

Raad van State

Datum uitspraak
12 maart 2015
Publicatiedatum
18 maart 2015
Zaaknummer
201402851/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 83a Vw 2000Art. 85 Vw 2000Art. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake weigering verdere toegang vreemdeling

Bij besluit van 5 april 2013 is aan de vreemdeling verdere toegang tot Nederland geweigerd. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verklaarde het administratief beroep van de vreemdeling tegen deze weigering op 16 oktober 2013 ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 7 maart 2014 gegrond, vernietigde het besluit van de staatssecretaris, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad overwoog dat, hoewel de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, het belang van de staatssecretaris bij het hoger beroep niet ontbreekt vanwege mogelijke procedurele aanpassingen bij het weigeren van verdere toegang aan de grens.

De Raad concludeerde dat de aangevoerde gronden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden en dat er geen vragen zijn die de rechtseenheid of rechtsontwikkeling in algemene zin raken. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Tot slot veroordeelde de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €490,00, toe te rekenen aan rechtsbijstand verleend door een derde partij.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201402851/1/V3.
Datum uitspraak: 12 maart 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 maart 2014 in zaak nr. 13/26889 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 5 april 2013 is de vreemdeling de verdere toegang geweigerd.
Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het daartegen door de vreemdeling ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 maart 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris heeft zich desgevraagd nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Nu de rechtsgevolgen van het besluit van 16 oktober 2013 in stand blijven, heeft de staatssecretaris, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 14 januari 2009 in zaak nr. 200803416/1), in beginsel geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Het betoog van de staatssecretaris dat hij, indien de rechtsopvatting van de rechtbank juist is, de procedurevoorschriften bij het weigeren van de (verdere) toegang aan de grens moet wijzigen, biedt echter voldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat zijn belang bij het hoger beroep in dit geval niet ontbreekt.
2. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Vonk
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015
345-596.