ECLI:NL:RVS:2015:881

Raad van State

Datum uitspraak
12 maart 2015
Publicatiedatum
18 maart 2015
Zaaknummer
201501311/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:119 Awbartikel 29 Zetelverdrag Internationaal Strafhof
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak vreemdelingenrecht

Verzoeker heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek ingediend tot herziening van de uitspraak van 15 oktober 2014 in een bestuursrechtelijke zaak op het gebied van vreemdelingenrecht.

Het verzoek tot herziening is gebaseerd op nieuwe beslissingen van de Appeals Chamber van het Internationaal Strafhof, waarin wordt gesteld dat de aanwezigheid van verzoeker op de zetel van het Strafhof tijdens het hoger beroep vereist zou zijn. Deze beslissingen dateren echter van na de oorspronkelijke uitspraak en tonen niet aan dat deze regel al vóór de uitspraak van de Afdeling gold.

De Afdeling oordeelt dat verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die voldeden aan de criteria voor herziening zoals gesteld in artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak in aanwezigheid van de griffier op 12 maart 2015.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

201501311/1/V1.
Datum uitspraak: 12 maart 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2014 in zaak nr. 201405219/1/V1.
Procesverloop
Verzoeker heeft de Afdeling bij brief verzocht de uitspraak van 15 oktober 2014 in zaak nr. 201405219/1/V1 te herzien. De brief en een afschrift van die uitspraak zijn aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Verzoeker betoogt dat de Afdeling er in de uitspraak van 15 oktober 2014 ten onrechte van uit is gegaan dat zijn aanwezigheid op de zetel van het Internationaal Strafhof gedurende het hoger beroep in zijn strafzaak niet is vereist. Daartoe wijst hij op beslissingen van de Appeals Chamber van het Strafhof van 30 oktober 2014 (nr. ICC-01/04-02/12-230) en 8 december 2014 (nr. ICC-01/04-02/12-236).
2.1. De beslissingen waarop verzoeker wijst, dateren van na de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2014. Bovendien blijkt daaruit niet dat de Appeals Chamber reeds vóór de uitspraak van de Afdeling heeft beslist dat verzoeker op de zetel van het Strafhof aanwezig diende te zijn. In punt 10 van de beslissing van 30 oktober 2014 is vermeld dat de beraadslagingen van de Appeals Chamber zich thans ("currently") in een vergevorderd stadium bevinden en dat verzoeker onder deze omstandigheden ("in these circumstances") aanwezig dient te zijn op de zetel in de zin van artikel 29, eerste lid, van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland. In de beslissing van 8 december 2014 gaat de Appeals Chamber niet in op de aanwezigheid van verzoeker op de zetel.
2.2. Verzoeker heeft derhalve geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb naar voren gebracht.
3. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Mulder, griffier.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Mulder
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015
747.