ECLI:NL:RVS:2015:903
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.J.J. van Buuren
- E. Helder
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Verlening vergunning nieuwvestiging melkrundveehouderij en intrekking oude vergunningen
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel verleende een vergunning aan Maatschap [de maatschap] voor de nieuwvestiging van een melkrundveehouderij en de bouw van een stal te Enter. Tegelijkertijd werden de vergunningen voor de bestaande locaties ingetrokken. Appellanten, wonend in de nabijheid, maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen.
De appellanten stelden dat zij belanghebbenden zijn bij de vergunningverlening en dat het besluit in strijd is met de zorgplicht en beschermingsdoelen van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Habitatrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb van toepassing is, waardoor alleen belangen die door de beschermingsregels worden gediend, kunnen leiden tot vernietiging van het besluit.
Gezien de afstand van de woningen van appellanten tot het Natura 2000-gebied en de aard van de beschermingsdoelen, werd geoordeeld dat appellanten geen rechtstreeks belang hebben dat door de vergunning wordt beschermd. Ook de zorgplicht uit artikel 19l Nbw 1998 is niet van toepassing op de vergunningprocedure. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigde dat deze toepassing van het relativiteitsvereiste verenigbaar is met de Habitatrichtlijn en dat doeltreffende rechtsbescherming gewaarborgd blijft.
Uitkomst: De beroepen van appellanten tegen het vergunningbesluit worden ongegrond verklaard.