ECLI:NL:RVS:2015:930
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-tijdig nemen van besluit en dwangsombesluit minister Veiligheid en Justitie
Op 14 oktober 2013 stelde appellant beroep in tegen het niet-tijdig nemen van een besluit door de minister van Veiligheid en Justitie, met betrekking tot een Wob-verzoek. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep gegrond en stelde een dwangsom van € 200,- vast. Tevens veroordeelde zij de minister in de proceskosten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep en overwoog dat het beroep mede betrekking had op het dwangsombesluit van 31 oktober 2013, waardoor het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk was geworden. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank dit niet had onderkend en vernietigde de uitspraak voor zover dit betreft.
Verder werd geoordeeld dat de ingebrekestelling van 11 juli 2013 niet voldoende duidelijk was en de termijn voor de dwangsom pas op 6 augustus 2013 aanving. De minister had het dwangsombesluit op 30 augustus 2013 verzonden, waardoor de dwangsom tot die datum verschuldigd was. De Afdeling vernietigde het dwangsombesluit van de minister en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief griffierecht.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank voor zover nodig, en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het dwangsombesluit van de minister is vernietigd.