ECLI:NL:RVS:2015:954

Raad van State

Datum uitspraak
25 maart 2015
Publicatiedatum
25 maart 2015
Zaaknummer
201407206/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y.E.M.A. Timmerman-Buck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 3:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers in Bezuidenhout Midden

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde op 21 juli 2014 een plaatsingsplan vast voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC's) in het stadsdeel Haagse Hout, wijk 65: Bezuidenhout Midden. Tegen dit besluit stelden [appellant sub 1] en Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het beroep van [appellant sub 1] werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen zienswijze had ingediend over het ontwerpbesluit, terwijl dit volgens artikel 6:13 Awb Pro vereist is. Haar veronderstelling dat dit niet verplicht was, werd niet aanvaard. Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I voerde aan dat de plaatsing van de ORAC's nabij haar huurder onacceptabel was en stelde een alternatieve locatie voor.

Het college had de alternatieve locaties onderzocht en gemotiveerd afgewezen vanwege praktische bezwaren zoals monumentale bomen en bereikbaarheid. De Raad van State oordeelde dat het college binnen zijn beleidsvrijheid en redelijkheid had gehandeld en dat de voorgestelde alternatieve locatie niet geschikter was. Het beroep van Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I werd daarom ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 maart 2015.

Uitkomst: Het beroep van appellant werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I ongegrond.

Uitspraak

201407206/1/A4.
Datum uitspraak: 25 maart 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend te Den Haag,
2. Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I, gevestigd te Dordrecht,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2014 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in het stadsdeel Haagse Hout, wijk 65: Bezuidenhout Midden te Den Haag.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2015, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, ir. H.W. Terlouw en ir. J.H. Kiestra, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar Pro voren heeft gebracht.
1.1. Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I is eigenaar van het pand aan de Theresiastraat 12 en verhuurt het pand aan [appellant sub 1] die daar een hapjesbar exploiteert. [appellant sub 1] heeft geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Zij heeft ter zitting betoogd dat zij in de veronderstelling was dat zij geen zienswijze naar voren hoefde te brengen, omdat Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I dit reeds als verhuurder had gedaan en het college in een brief aan haar had vermeld dat zij een zienswijze kon indienen. Hieruit maakte zij op dat het indienen van een zienswijze niet verplicht was voor het instellen van beroep. Het behoort echter tot de eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende om zich op de hoogte te stellen van het verloop van de procedure. [appellant sub 1] heeft derhalve geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze naar voren gebracht heeft. Haar beroep is daarom niet-ontvankelijk.
2. Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college onder meer stadsdeel Haagse Hout, Bezuidenhout Midden aangewezen als buurt waar van ORAC's gebruik moet gaan worden gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van een plaatsingsplan, de concrete locaties aangewezen waar de ORAC's worden geplaatst. Onder meer wordt voorzien in de plaatsing van twee naast elkaar gelegen ORAC's aan de Theresiastraat 12 op locatie 65-19C.
3. Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn "Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval" met kenmerk RIS 160943 (hierna: de randvoorwaarden) gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:
"- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.
- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.
- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.
- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!).
- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen (kosten!).
- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.
- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden."
4. Bij de keuze van een locatie voor ORAC's dient het college een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plaatsingsplan. Daarbij heeft het college beleidsvrijheid. De Afdeling toetst de keuze van het college terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.
5. Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I betoogt dat de plaatsing van de ORAC's op locatie 65-19C onacceptabel is, omdat de containers vrijwel naast het terras van haar huurder komen te staan en dit tot inkomstenderving zal leiden. Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I wijst in dit verband op een alternatieve locatie bij de InHolland Academy, dertig meter verderop. Volgens Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I wordt de maximale loopafstand voor de bewoners op de alternatieve locatie niet overschreden en zijn de containers goed te bereiken voor de ophaaldienst.
5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het verschillende alternatieven, waaronder de locatie bij de InHolland Academy, heeft onderzocht, maar dat plaatsing van de ORAC's daar niet mogelijk is gebleken. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de aanwezigheid van bedrijven in beginsel geen reden is om een locatie voor de plaatsing van ORAC's niet aan te wijzen, maar dat hiermee wel rekening wordt gehouden bij de belangenafweging. Niet in geschil is dat de plaatsing van de ORAC's voor de ingang van de InHolland Academy niet kan. Voorts is ter zitting de alternatieve locatie bij de bomen voor de InHolland Academy nader besproken. Het college heeft gesteld dat plaatsing van de ORAC's op die locatie niet mogelijk is vanwege de overhangende takken van de aanwezige (monumentale) bomen. Zelfs in het geval de bomen geen belemmering vormen voor het legen van de ORAC's met een hijskraan, zitten de wortels van deze bomen op de plek waar de ORAC's drie meter de grond in gaan, aldus het college. De Afdeling acht deze stellingen van het college gezien de foto's die ter zitting zijn getoond niet onaannemelijk. Gelet op het vorenstaande en gegeven de randvoorwaarden heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I voorgestelde alternatieve locatie niet geschikter is dan de aangewezen locatie 65-19C. De door Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I voorgestelde alternatieve locatie geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot plaatsing van de ORAC's op locatie 65-19C kon besluiten.
Het betoog faalt.
6. Het beroep van Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep van Beleggingsvennootschap Bouwbelangen I ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.
w.g. Timmerman-Buck w.g. De Jong
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015
628.