ECLI:NL:RVS:2016:1002
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking bedrijfsparkeervergunning wegens zelfstandigheid vennootschap
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok op 29 augustus 2014 de bedrijfsparkeervergunning van de vennootschap in, omdat deze en Advoban B.V. op hetzelfde adres gevestigd zijn en als één bedrijf werden beschouwd. Volgens het college hadden zij gezamenlijk minder dan tien werknemers, waardoor slechts één vergunning toekwam.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de vennootschap en Advoban B.V. juridisch en intern gescheiden zijn, ondanks het gebruik van gemeenschappelijke diensten zoals een gezamenlijke entree en telefoonnummer. Dit maakt hen niet tot één bedrijf in de zin van de parkeerverordening. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de voorzieningenrechter. Het college kon onvoldoende aantonen dat er sprake was van een juridische constructie die de vennootschap en Advoban B.V. tot één bedrijf maakt. Ook het feit dat bestuurders van beide vennootschappen samen een Stichting Beheer Derdengelden besturen, wijst juist op zelfstandigheid.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van het intrekkingsbesluit blijft in stand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van het intrekkingsbesluit van de bedrijfsparkeervergunning wordt bevestigd.