ECLI:NL:RVS:2016:1081
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgeldigheid inreisverbod en intrekking verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij besluit van 30 oktober 2014 de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van een Somalische vreemdeling ingetrokken, hem Nederland onmiddellijk laten verlaten en een inreisverbod opgelegd. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit in juli 2015, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris eerst ambtshalve moet vaststellen dat artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing is voordat een inreisverbod wordt uitgevaardigd. De Afdeling stelt vast dat het inreisverbod rechtsgeldig is en vernietigt het vonnis van de rechtbank.
Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling daarvan zolang het inreisverbod van kracht is. De Afdeling wijst het beroep tegen het inreisverbod af, omdat de omstandigheden waaronder de vreemdeling strafbare feiten pleegde niet als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb Pro gelden.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen de intrekking niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaard.