ECLI:NL:RVS:2016:1088
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding na niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep vreemdelingen
De vreemdelingen maakten bezwaar tegen hun voorgenomen feitelijke uitzetting, dat door de staatssecretaris ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk omdat geen belang meer bestond, mede doordat de staatssecretaris had bevestigd dat geen uitzetting gepland was.
De vreemdelingen stelden in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de door hen gemaakte proceskosten en het griffierecht. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank inderdaad had moeten overgaan tot deze veroordeling, nu de staatssecretaris de vreemdelingen tegemoet was gekomen door geen uitzetting te plannen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden vonnis voor zover het naliet de proceskostenvergoeding en griffierecht te gelasten, en bevestigde het voor het overige. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van € 1.488 aan proceskosten en € 167 aan griffierecht.
Uitkomst: De Raad van State veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vreemdelingen.