ECLI:NL:RVS:2016:1364
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling diende op 10 maart 2015 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris nam deze aanvraag op 21 augustus 2015 niet in behandeling, verwijzend naar de Dublinverordening en de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat artikel 16 van Pro de Dublinverordening van toepassing was op de situatie van de vreemdeling, omdat de afhankelijkheid enkel gebaseerd was op de jeugdige leeftijd van de kinderen, wat niet onder de gronden van artikel 16 valt Pro.
Daarnaast stelde de vreemdeling incidenteel hoger beroep in tegen het niet gemotiveerd toepassen van artikel 17 van Pro de Dublinverordening door de staatssecretaris. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet op deze grond was ingegaan en verklaarde ook dit incidenteel hoger beroep gegrond.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en beoordeelde het besluit van de staatssecretaris opnieuw. Uiteindelijk oordeelde zij dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die overdracht aan Duitsland onevenredig zouden maken en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.