ECLI:NL:RVS:2016:1548
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
De vreemdeling is op 15 januari 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen het besluit tot voortzetting van deze bewaring heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 april 2016 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling onderzocht haar bevoegdheid om van dit hoger beroep kennis te nemen aan de hand van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van artikel 84 en Pro 95 van de Vreemdelingenwet 2000 is hoger beroep tegen uitspraken over besluiten op grond van hoofdstuk 5 van de Vreemdelingenwet in beginsel niet toegestaan, met uitzondering van het bepaalde in artikel 95, eerste lid. De Afdeling oordeelde dat het beroep van de vreemdeling gericht was tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel zoals bedoeld in artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet, en dat tegen de uitspraak van de rechtbank hierover geen hoger beroep openstaat.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van lid H.G. Lubberdink op 27 mei 2016.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen voortzetting van vreemdelingenbewaring.