ECLI:NL:RVS:2016:1549

Raad van State

Datum uitspraak
25 mei 2016
Publicatiedatum
1 juni 2016
Zaaknummer
201508724/3/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • F.C.M.A. Michiels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbWet veiligheidsonderzoeken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de opposant verzet ingesteld tegen de uitspraak van 14 januari 2016, waarin zijn beroep tegen het plaatsingsplan voor ondergrondse restafvalcontainers in de wijk Kortenbos niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift te laat was ingediend en opposant geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die dit verzuim konden rechtvaardigen.

Opposant stelde dat hij abusievelijk een latere datum op het beroepschrift had vermeld, maar dat hij het beroepschrift al eerder bij PostNL had aangeboden. Hij voerde ook aan dat hij door vakantie niet tijdig kennis had kunnen nemen van de brief waarin hij werd verzocht dit aan te tonen.

De Afdeling oordeelde dat de termijn voor het indienen van het beroepschrift zes weken bedroeg, lopende tot en met 25 november 2015, en dat het beroepschrift pas op 30 november 2015 was ontvangen. Omdat op de envelop geen leesbaar poststempel stond en het beroepschrift op de derde werkdag na de termijn was ontvangen, kon niet worden aangenomen dat het tijdig ter post was bezorgd. De enkele stelling van opposant was onvoldoende om dit aannemelijk te maken.

Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en het beroep blijft niet-ontvankelijk wegens te late indiening.

Uitspraak

201508724/3/A1.
Datum uitspraak: 25 mei 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van:
[opposant], wonend te Den Haag,
opposant,
tegen de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2016 in zaak nr. 201508724/2/A4.
Procesverloop
Bij uitspraak van 14 januari 2016, in zaak nr. 201508724/2/A4, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van [opposant] niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [opposant] bij brief verzet gedaan.
De Afdeling heeft het verzet ter zitting behandeld op 1 april 2016, waar [opposant] is verschenen.
Overwegingen
1. In de uitspraak van 14 januari 2016 heeft de Afdeling het beroep van [opposant] tegen het plaatsingsplan voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers in de wijk Kortenbos (wijk 11) na vereenvoudigde behandeling niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe overwoog de Afdeling dat [opposant] te laat beroep heeft ingesteld en dat [opposant], hoewel daartoe per aangetekende brief van 30 november 2015 in de gelegenheid gesteld, geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kon worden afgeleid dat hij in dit opzicht redelijkerwijs niet in verzuim was.
2. [opposant] betoogt dat de Afdeling het beroep ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat hij abusievelijk 25 november 2015 als dagtekening op het beroepschrift heeft vermeld, maar het beroepschrift reeds op 23 november 2015 bij PostNL ter verzending heeft aangeboden. Voorts voert [opposant] aan dat hem niet kan worden verweten dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het beroepschrift reeds eerder ter verzending heeft aangeboden dan 25 november 2015, omdat hij vanwege afwezigheid door vakantie geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de brief van 30 november 2015.
3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 samen Pro met artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zes weken met ingang van de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Ingevolge het tweede lid is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet langer dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
4. Niet in geschil is dat het besluit bekendgemaakt is op 14 oktober 2015, zodat de termijn voor het instellen van beroep is aangevangen op 15 oktober 2015 en liep tot en met 25 november 2015. Voorts is niet in geschil dat het beroepschrift op 30 november 2015 en dus buiten de termijn, doch binnen een week na afloop van de termijn, door de Afdeling is ontvangen. Bepalend voor de ontvankelijkheid van het beroep is of het beroepschrift tijdig - binnen de beroepstermijn - ter post is bezorgd.
5. In gevallen waarin op de enveloppe waarmee een beroepschrift wordt ingediend een leesbaar poststempel is geplaatst, moet als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door PostNL is afgestempeld. In dit geval is op de enveloppe echter geen leesbaar poststempel aangebracht. Wanneer in dergelijke gevallen het poststuk op de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, moet worden aangenomen dat het tijdig ter post is bezorgd, tenzij op grond van vaststaande feiten aannemelijk is dat het later ter post is bezorgd. Nu in dit geval het beroepschrift op de derde werkdag is ontvangen, kan deze regel echter niet worden toegepast. Gezien het ontvangstmoment kan, zoals ook de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7470, niet zonder vaststaande feiten die het tegendeel aannemelijk maken worden aangenomen dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd.
6. Met de enkele, niet met bewijsstukken onderbouwde, stelling van [opposant] dat hij het beroepschrift op 23 november 2015 heeft aangeboden bij PostNL - hetgeen veronderstelt dat het stuk door een aan PostNL te wijten vertraging pas op de vijfde werkdag na de dag van terpostbezorging is ontvangen - heeft [opposant] niet aannemelijk gemaakt dat hij voor het verstrijken van de termijn en dus tijdig het beroepschrift heeft aangeboden bij PostNL. Dat [opposant] door afwezigheid vanwege vakantie geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de aangetekende brief van 30 november 2015 van de Afdeling leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel, reeds omdat hij ook in verzet geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aannemelijk maken dat het beroepschrift voor het verstrijken van de termijn is aangeboden bij PostNL.
7. Gezien het voorgaande geeft het verzet geen aanleiding voor het oordeel dat de Afdeling in de uitspraak waarvan verzet het beroep van [opposant] ten onrechte met vereenvoudigde behandeling, dat wil zeggen: zonder behandeling ervan ter zitting, kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het verzet is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.
w.g. Michiels w.g. Van der Zijpp
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016
262-833.