AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen bestemmingsplan door reactieve aanwijzing
Bij besluit van 8 juli 2015 stelde de raad het bestemmingsplan 'Buitengebied Valburg - 18 (Bedrijventerrein De Grift Noord)' vast. Appellant stelde hiertegen beroep in. Echter, op 14 augustus 2015 gaf het college van gedeputeerde staten van Gelderland een reactieve aanwijzing ex artikel 3.8 lid 6 Wro, waardoor het bestemmingsplan geheel niet in werking treedt.
Door deze aanwijzing is de bekendmaking van het bestemmingsplan op 19 augustus 2015 niet als zodanig verricht en is de beroepstermijn tegen het bestemmingsplan nog niet aangevangen. De Afdeling overweegt dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is omdat er geen beroep openstond tegen het plan op het moment van indiening.
Verder oordeelt de Afdeling dat appellant niet kan worden verweten dat hij beroep instelde vóór de rectificatie van de raad op 26 augustus 2015, waarin werd aangegeven dat beroep tegen het bestemmingsplan niet mogelijk was. Daarom gelast de Afdeling vergoeding van het betaalde griffierecht van €167,00. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan wordt niet-ontvankelijk verklaard en het griffierecht van €167 wordt aan appellant vergoed.
Uitspraak
201600499/2/R2.
Datum uitspraak: 17 februari 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:
[appellant], wonend te Oosterhout, gemeente Overbetuwe,
appellant,
en
de raad van de gemeente Nijmegen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Valburg - 18 (Bedrijventerrein De Grift Noord)" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Overwegingen
1. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het besluit van de raad van 8 juli 2015. Hij betoogt dat zijn in de nabijheid van het plangebied gelegen gronden onderdeel van het plan dienen uit te maken.
2. Bij besluit van 14 augustus 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland ingevolge artikel 3.8, zesde lid, eerste volzin, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van die wet. Het aanwijzingsbesluit is een reactieve aanwijzing die ertoe strekt dat het plan zoals dat is vastgesteld in zijn geheel niet in stand blijft. Tegen het aanwijzingsbesluit is door de raad en het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen beroep ingesteld bij de Afdeling.
3. Op 19 augustus 2015 is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, door het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen het aanwijzingsbesluit van 14 augustus 2015 bekend gemaakt. Daarbij is vermeld dat de reactieve aanwijzing betrekking heeft op het gehele bestemmingsplan en ertoe leidt dat het gehele bestemmingsplan niet in werking treedt. Met de bekendmaking van 19 augustus 2015 heeft dan ook geen bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan plaatsgevonden. Hierdoor heeft de in artikel 6:7 vanPro de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen het bestemmingsplan nog geen aanvang genomen.
4. In artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de behandeling van het bezwaar of beroep in dat geval worden aangehouden tot het begin van die termijn.
Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling houdt de Afdeling het ervoor dat deze uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat de bekendmaking van het besluit nog niet heeft plaatsgevonden, maar zeker is dat de bekendmaking op afzienbare termijn zal plaatsvinden, waarmee de termijn voor het instellen van het beroep een aanvang zal nemen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 129). De bepaling kan derhalve in dit geval geen toepassing vinden, nu onzeker is of, en zo ja wanneer het bestemmingsplan bekend zal worden gemaakt en dientengevolge tevens of, en zo ja op welk moment de termijn voor het instellen van beroep daartegen een aanvang zal nemen.
5. Ter voorlichting van partijen merkt de Afdeling het volgende op. In het geval de Afdeling in het kader ven de beroepsprocedure tegen het aanwijzingsbesluit dat besluit vernietigt, kan het plan niet in werking treden voordat het plan door de raad bekend is gemaakt en de beroepstermijn is verstreken. Bij de bekendmaking wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld.
6. Uit het vorenstaande volgt dat tegen het plan geen beroep openstond, zodat het beroep van [appellant] tegen het plan kennelijk niet-ontvankelijk is.
7. Ten aanzien van de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten overweegt de Afdeling het volgende. In de rechtsmiddelenverwijzing bij de kennisgeving van 19 augustus 2015 is vermeld dat tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan beroep openstond bij de Afdeling. Het college van burgemeester en wethouders heeft die kennisgeving op 26 augustus 2015 gerectificeerd. Daarbij is vermeld dat het niet mogelijk is beroep in te stellen tegen het bestemmingsplan, omdat de reactieve aanwijzing het gehele bestemmingsplan betreft. Nu het beroepschrift van [appellant] vóór 26 augustus 2015 bij de Afdeling is ingekomen, kan hem niet worden verweten beroep te hebben ingesteld tegen het bestemmingsplan. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding om de raad te gelasten het griffierecht te vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. gelast dat de raad van de gemeente Nijmegen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.
w.g. Van Sloten w.g. Plambeck
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 vanPro de Awb).
- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.