ECLI:NL:RVS:2016:1754
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek Nederlanderschap wegens ontbreken onafgebroken samenwoning met Nederlander
Appellant heeft verzocht om het Nederlanderschap, maar de staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen omdat niet is gebleken dat zij met haar Nederlandse echtgenoot onafgebroken samenwoonde in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank oordeelde dat appellant sinds 1997 gehuwd is met haar echtgenoot en dat zij sinds 2010 in Paramaribo woont. Het geschil betrof de periode van 26 augustus 2013 tot 13 november 2013, waarin appellant en haar echtgenoot niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven, wat door appellant niet is weersproken.
Appellant overwoog in hoger beroep dat zij feitelijk samenwoonde met haar echtgenoot en overlegde verklaringen van relaties en een jaarrekening van de onderneming van haar echtgenoot. De Afdeling oordeelde dat deze stukken deels na de bestuurlijke fase zijn overgelegd en dat de verklaringen geen specifieke periode noemen. Ook het feit dat haar echtgenoot directeur is van een Surinaamse onderneming bewijst niet dat hij in de betreffende periode in Suriname verbleef.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om Nederlanderschap bevestigd.