ECLI:NL:RVS:2016:1865
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening vergoeding toevoeging bij ingetrokken hoger beroep
De zaak betreft het hoger beroep van een advocaat tegen de herziening van een vergoeding voor een toevoeging in een hogerberoepsprocedure. De raad had de vergoeding verlaagd van €1.058,34 naar €540,51 omdat het hoger beroep voortijdig was ingetrokken, waardoor volgens het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr) een adviesvergoeding van toepassing is.
De advocaat stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat bij intrekking van hoger beroep de vergoeding op nihil moet worden vastgesteld en dat werkzaamheden voor het instellen van hoger beroep niet onder de eerdere toevoeging vallen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vergoeding voor een ingetrokken hoger beroep volgens artikel 5 en Pro 12 Bvr wordt vastgesteld op basis van de vergoeding voor advieszaken, maar dat dit niet betekent dat de vergoeding altijd nihil is.
Verder werd geoordeeld dat het tijdstip waarop werkzaamheden zijn verricht doorgaans bepalend is voor de vergoeding, en dat werkzaamheden zoals het bestuderen van de uitspraak en het gesprek met de cliënt behoren tot de afwikkeling van de beroepsprocedure en dus onder de eerdere toevoeging vallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de advocaat niet kon aantonen dat zij in vergelijkbare gevallen onterecht was benadeeld.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de vergoeding wordt bevestigd.