ECLI:NL:RVS:2016:1963
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kwijtschelding restschuld na verkoop woning ondanks echtscheiding
Het geschil betreft de weigering van het Waarborgfonds Eigen Woningen om een restschuld van €29.728,99 kwijt te schelden die is ontstaan na de verkoop van een woning. Appellanten, voormalig echtgenoten, voerden aan dat zij te goeder trouw waren en voldeden aan het criterium van relatiebeëindiging, aangezien zij in 2011 waren gescheiden.
De rechtbank oordeelde dat het Waarborgfonds terecht had vastgesteld dat voortzetting van de hypotheeklasten mogelijk was omdat appellanten in 2014 weer samenwoonden en de lasten gezamenlijk droegen. De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het criterium van te goeder trouw vereist dat de lening niet meer kan worden voldaan door het wegvallen van één van de inkomens na relatiebeëindiging.
Hoewel appellanten betoogden dat zij alles hadden gedaan om de woning voor een zo hoog mogelijke prijs te verkopen en dat zij erop mochten vertrouwen dat samenwonen na echtscheiding was toegestaan, oordeelt de Raad dat dit niet afdoet aan het oordeel van het Waarborgfonds. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen concrete toezegging is gedaan door een bevoegd persoon. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot kwijtschelding van de restschuld bevestigd.