ECLI:NL:RVS:2016:1980
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kwijtschelding restschuld na niet voltooide woningverbouwing
Appellante en haar toenmalige partner kochten in maart 2012 een woning met een hypothecaire lening en Nationale Hypotheekgarantie. Na beëindiging van de relatie werd de woning in juni 2014 onderhands verkocht, waarbij de opbrengst onvoldoende was om de lening en kosten te dekken. De stichting betaalde de restschuld aan de geldverstrekker en trad in diens rechten.
De stichting weigerde kwijtschelding van de restschuld omdat appellante niet haar volledige medewerking had verleend om de opbrengst van de woning te maximaliseren. Dit was gebaseerd op een taxatierapport en het feit dat appellante de verbouwing, gestart met hulp van familie en vrienden, niet had afgerond, waardoor de marktwaarde daalde.
Appellante voerde aan dat de woning bij aankoop voldoende was en dat de tijdelijke waardevermindering door renovatie normaal is. Zij stelde dat zij vanwege haar inkomen niet kon lenen om de verbouwing uit te besteden en dat zij vertrouwde op de medewerking van familieleden, die na de relatiebeëindiging niet langer kosteloos wilden meewerken.
De stichting stelde dat de woning niet onbewoonbaar was en dat appellante een risico nam door de verbouwing in eigen beheer te doen zonder voldoende financiële middelen. De Raad van State oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet in staat was de verbouwing te voltooien en dat het staken van de werkzaamheden haar valt aan te rekenen. Daarom was de weigering van kwijtschelding terecht.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van kwijtschelding van de restschuld wegens onvoldoende medewerking van appellante.