ECLI:NL:RVS:2016:1997
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt vergoeding wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring
De vreemdeling van Albanese nationaliteit werd op 18 mei 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld door pas op de negende dag met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting te beginnen, waardoor de bewaring vanaf 28 mei 2016 onrechtmatig was en er schadevergoeding werd toegekend vanaf die datum.
De vreemdeling stelde echter dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was en dat de schadevergoeding daarom moest worden toegekend vanaf 18 mei 2016. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had vastgesteld dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was, omdat de staatssecretaris vanaf het begin geen relevante handelingen verrichtte ter voorbereiding van de uitzetting.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en stelde het beroep van de vreemdeling gegrond. De vreemdeling kreeg een vergoeding van €1.225,00 toegekend over de gehele periode van 18 mei tot 1 juni 2016, de dag waarop de bewaring werd opgeheven. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.984,00.
Uitkomst: De vreemdeling krijgt een schadevergoeding van €1.225,00 voor de gehele periode van onrechtmatige vreemdelingenbewaring van 18 mei tot 1 juni 2016.