ECLI:NL:RVS:2016:2071
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt vergoeding na onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens motiveringsgebrek
De vreemdeling werd op 23 maart 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring op 11 april 2016 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het besluit tot bewaring een motiveringsgebrek bevatte, omdat niet in het besluit zelf werd gemotiveerd waarom geen minder dwingende maatregel kon worden toegepast. Dit is in strijd met het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat de motivering kenbaar moet zijn in het bewaringbesluit zelf. De stelling van de staatssecretaris dat het motiveringsgebrek kon worden hersteld door informatie uit de procedure werd verworpen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het bewaringbesluit alsnog gegrond. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, werd een bevel tot opheffing achterwege gelaten. De vreemdeling kreeg een vergoeding van € 3.225,00 toegekend over de periode van 23 maart tot 2 mei 2016. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.984,00.
De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke en tijdige motivering bij het opleggen van vrijheidsbenemende maatregelen en bevestigt dat motiveringsgebreken niet achteraf kunnen worden hersteld door informatie uit de procedure.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bewaringbesluit vernietigd en een vergoeding toegekend wegens motiveringsgebrek.