ECLI:NL:RVS:2016:2203
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- G. van der Wiel
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet behalen inburgeringsexamen binnen gestelde termijn
Het dagelijks bestuur legde appellant een boete op van €244,71 omdat hij het inburgeringsexamen niet binnen de gestelde termijn had behaald, zoals bepaald in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (Wi). Appellant stelde dat het besluit waarin de termijn werd gesteld niet rechtsgeldig was, omdat de kennisgeving niet persoonlijk en duidelijk aan hem was gericht. Ook voerde hij aan dat zijn vader post voor hem achterhield, waardoor hij niet tijdig op de hoogte was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de boete. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het besluit van 28 februari 2011 wel rechtsgeldig was bekendgemaakt aan appellant op zijn woonadres, ondanks dat meerdere personen met dezelfde naam op dat adres wonen. De Raad stelde dat appellant in december 2010 al contact had gehad met het dagelijks bestuur over zijn inburgering, waardoor hij rekening moest houden met de brief.
Verder werd geoordeeld dat het achterhouden van post door de vader voor rekening en risico van appellant komt en geen rechtsgeldigheid van het besluit aantast. Omdat appellant destijds geen rechtsmiddelen had aangewend tegen het besluit van 28 februari 2011, was dit besluit onherroepelijk geworden. De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat appellant het inburgeringsexamen niet binnen de gestelde termijn had behaald en dat de boete terecht was opgelegd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete wegens het niet tijdig behalen van het inburgeringsexamen.