ECLI:NL:RVS:2016:2274
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdeling haar dochter in Nigeria kan beschermen tegen besnijdenis en afwijzing asielverzoek
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege het risico dat haar dochter in Nigeria besneden zou worden en haar eigen medische en psychische klachten. De staatssecretaris wees dit verzoek af op grond van het bestaan van opvangmogelijkheden en hulporganisaties in Nigeria die bescherming en ondersteuning bieden.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van de kinderen onvoldoende waren meegewogen en dat het besluit een motiveringsgebrek vertoonde, waardoor het beroep van de vreemdeling werd toegewezen. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad van State overwoog dat de medische situatie van de vreemdeling niet zodanig ernstig is dat terugkeer tot een onmenselijke situatie leidt en dat met behulp van instanties als NAPTIP en IOM een nieuw sociaal netwerk kan worden opgebouwd om de dochter te beschermen tegen besnijdenis. Het beroep op artikel 3 EVRM Pro faalt daarom.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.