ECLI:NL:RVS:2016:2390
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens tijdelijke verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft het verzoek van appellante om het Nederlanderschap te verkrijgen afgewezen omdat haar verblijfsrecht in Nederland tijdelijk is, gebaseerd op een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden'. Appellante voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals haar geboorte en opvoeding in Nederland, haar uitzetting naar Ghana, misbruik van persoonsgegevens en slachtofferschap van mensenhandel, aanleiding zouden moeten zijn voor verlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De rechtbank Den Haag had het beroep van appellante ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit oordeel bevestigd. De Afdeling overwoog dat artikel 10 RWN Pro niet de bevoegdheid geeft om af te wijken van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, die vereist dat geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Omdat de afwijzing op deze bepaling berust, kunnen de aangevoerde bijzondere omstandigheden niet leiden tot een andere uitkomst.
De Afdeling achtte de rechtbank Amsterdam bevoegd gelet op artikel 8:7, tweede lid, Awb en verklaarde de aangevallen uitspraak als bevoegd gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap wordt bevestigd.