ECLI:NL:RVS:2016:2535
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- G.M.H. Hoogvliet
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake omgevingsvergunning afvalstoffeninrichting Son
Het college verleende op 18 november 2014 een omgevingsvergunning aan appellante sub 1 voor een afvalstoffeninrichting in Son. De rechtbank Oost-Brabant vernietigde dit besluit op grond van meerdere gebreken, waaronder onzorgvuldige motivering en het ontbreken van een milieueffectrapportage, en stelde een voorlopige voorziening in die het innemen van teerhoudend asfalt (TAG) verbood.
Appellante sub 1 en het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl appellante sub 3 incidenteel hoger beroep instelde. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de voorlopige voorziening heeft getroffen, dat de bedrijfstijden van de puinbreker en zeef duidelijk zijn beperkt, en dat het college terecht geen onderzoek naar inpandige opslag van TAG hoefde te verrichten.
Verder oordeelt de Raad dat de rechtbank onterecht rekening hield met de feitelijke aanwezigheid van TAG langer dan drie jaar bij de rechtmatigheid van de vergunning, dat de bodembescherming adequaat is geregeld via het Activiteitenbesluit milieubeheer, en dat het college terecht geen milieueffectrapportage verplicht stelde. De overige bezwaren van appellante sub 3, waaronder over flora en fauna, geur, visuele hinder, en strijd met het bestemmingsplan, worden ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep van appellante sub 3 ongegrond verklaard.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het hoger beroep van appellante sub 1 en het college gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep ongegrond.