ECLI:NL:RVS:2016:2581

Raad van State

Datum uitspraak
28 september 2016
Publicatiedatum
28 september 2016
Zaaknummer
201506692/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • M. Vlasblom
  • E. Steendijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sluiting woning wegens vondst harddrugs ondanks bezwaar appellant

De burgemeester van Oss heeft bij besluit van 10 maart 2014 de woning van appellant gesloten voor drie maanden vanwege de vondst van 19,6 gram cocaïne tijdens een politiehuiszoeking. Na bezwaar van appellant werd de sluiting op 27 mei 2014 door een nieuw besluit beperkt tot ongeveer een maand. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, maar dat het bezwaarbesluit van 10 juni 2014 onzorgvuldig was omdat het eerdere besluit van 27 mei 2014 niet werd betrokken.

Om te voldoen aan deze uitspraak heeft de burgemeester bij besluit van 5 augustus 2015 de sluitingsduur aangepast tot de feitelijke sluitingsperiode en de motivering aangevuld met verwijzing naar de ernst van drugshandel en het herstel van de openbare orde. Appellant voerde aan dat de burgemeester niet aan het eerdere besluit gebonden was en dat het besluit van 5 augustus 2015 vanwege motiveringsgebrek vernietigd moest worden.

De Afdeling verwierp deze bezwaren, oordeelde dat de burgemeester de sluiting in overeenstemming had gebracht met de feitelijke situatie en eerdere uitspraak, en dat het bezwaar dat de burgemeester tegenstrijdige motieven hanteerde niet slaagde. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot sluiting van de woning blijft gehandhaafd.

Uitspraak

201506692/1/A3.
Datum uitspraak: 28 september 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Oss,
en
de burgemeester van Oss.
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2014 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] in Oss voor drie maanden te sluiten.
Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft de burgemeester opnieuw op het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar beslist en dat ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. Deckwitz, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de burgemeester, vertegenwoordigd door Y. Yildiz en mr. P.W.B. Verhoeven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Aan de last onder aanzegging van bestuursdwang tot sluiting van de woning heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de politie tijdens een huiszoeking in de woning 19,6 gram cocaïne heeft aangetroffen. Bij besluit van 27 mei 2014 en derhalve een maand na de daadwerkelijke sluiting van de woning heeft de burgemeester op verzoek van BrabantWonen de last tot sluiting ongedaan gemaakt.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388, geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was sluiting van de woning te gelasten. De burgemeester had bij het besluit van 10 juni 2014 waarbij werd beslist op het bezwaar van [appellant] evenwel het besluit van 27 mei 2014 moeten betrekken, omdat het laatstgenoemde besluit tot gevolg heeft gehad dat de woning niet voor drie maanden maar voor ongeveer een maand gesloten is geweest. De burgemeester had bij het nemen van het besluit van 10 juni 2014 ofwel aanleiding moeten zien tot wijziging van het besluit van 10 maart 2014 in die zin dat de sluiting van de woning zou duren van 25 april 2014 tot 27 mei 2014 ofwel kunnen besluiten tot handhaving van het besluit van 10 maart 2014 onder gelijktijdige intrekking van voornoemd besluit van 27 mei 2014. Het besluit van 10 juni 2014 was in zoverre onzorgvuldig voorbereid, aldus de Afdeling. Daarom is het hoger beroep gegrond verklaard, evenals het beroep, en het besluit 10 juni 2014 vernietigd. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 juli 2015 met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
2. Om gevolg te geven aan de uitspraak van de Afdeling heeft de burgemeester bij besluit van 5 augustus 2015 de duur van de sluiting van de woning beperkt tot 27 mei 2014. Voorts heeft de burgemeester aan de motivering van het besluit van 10 maart 2014 toegevoegd dat handel in harddrugs een ernstige inbreuk op de openbare orde en veiligheid is, het tijdsverloop tussen de vondst van de middelen en de sluiting er niet toereikend was om de openbare orde geheel en definitief te herstellen en hij daarom in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de sluiting van de woning te gelasten gebruik heeft gemaakt.
3. [appellant] betoogt dat de burgemeester bij het besluit van 5 augustus 2015 ten onrechte de sluiting van de woning op een maand heeft gesteld. Het besluit van 27 mei 2014 had ten tijde van het besluit van 5 augustus 2015 formele rechtskracht. Daarom was de burgemeester gebonden aan het besluit van 27 mei 2014. De burgemeester mocht daarom niet de sluiting van de woning gelasten.
3.1. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de burgemeester de sluiting van de woning niet mocht gelasten, nu uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015 volgt dat de burgemeester bevoegd was de sluiting te gelasten, maar hij in bezwaar niet voorbij had mogen gaan aan de omstandigheid dat hij de sluiting van de woning eerder had opgeheven dan de sluiting volgens de last van 10 maart 2014 zou moeten aflopen. Met het besluit van 5 augustus 2015 heeft de burgemeester de last tot sluiting van de woning in overeenstemming gebracht met de periode dat de woning daadwerkelijk gesloten is geweest. Daarmee heeft de burgemeester de last in overeenstemming gebracht met het besluit van 27 mei 2014 en heeft hij gevolg gegeven aan voornoemde uitspraak van de Afdeling.
Dit betoog faalt.
4. Verder betoogt [appellant] dat de burgemeester het besluit van 27 mei 2014 had moeten intrekken, nu het besluit van 5 augustus 2015 daarmee in strijd is. Nu hij dat niet heeft gedaan, dient het besluit van 5 augustus 2015 vanwege een motiveringsgebrek te worden vernietigd.
4.1. Dit betoog faalt. Zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen, heeft de burgemeester met het besluit van 5 augustus 2015 de last in overeenstemming gebracht met de duur van de daadwerkelijke sluiting en de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015. Hij behoefde daarom het besluit van 27 mei 2014 niet in te trekken.
5. Voorts voert [appellant] aan dat de burgemeester zich enerzijds op het standpunt heeft gesteld dat de woning voor drie maanden gesloten moest worden om handelaren en gebruikers uit de buurt van de woning te houden, en anderzijds dat de sluiting van de woning na een maand kon worden opgeheven omdat [appellant] daar niet meer woont en er geen klachten waren over overlast door drugs en drugshandel. De burgemeester kon niet tegelijkertijd van oordeel zijn dat de woning voor drie maanden moest worden gesloten om de loop eruit te halen en de woning na een maand weer kon worden geopend omdat [appellant] er niet meer woonde.
5.1. Dit betoog faalt. [appellant] woonde ten tijde van het besluit van 27 mei 2014 niet meer in de woning, hetgeen een nieuwe omstandigheid was die ertoe heeft geleid dat de burgemeester de duur van de last tot sluiting heeft beperkt. Verder heeft de burgemeester met het besluit van 5 augustus 2015 de last in overeenstemming gebracht met het besluit van 27 mei 2014 en daarmee gevolg gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, zoals reeds is overwogen onder 3.1.
Het betoog van [appellant] dat de burgemeester in het geheel geen last tot sluiting van de woning had mogen opleggen, is door de Afdeling in voornoemde uitspraak reeds afgewezen en kan thans niet opnieuw aan de orde komen.
6. [appellant] betoogt verder dat uit de besluiten van 27 mei 2014 en 5 augustus 2015 volgt dat de burgemeester met de last niet zozeer beoogde de loop uit de woning te halen, maar hem te laten verhuizen. De last had daarom geen verband met herstel van de openbare orde en met het voorkomen en beëindigen van overtredingen van de Opiumwet. Het besluit van 5 augustus 2015 kan daarom niet in stand blijven.
6.1. Zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen, heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 juli 2015 reeds bepaald dat de burgemeester bevoegd was tot oplegging van de last. De vraag of de burgemeester bevoegd was tot oplegging van de last kan daarom niet opnieuw aan de orde komen.
6.2. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] het betoog dat de burgemeester hem ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, ingetrokken.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.
w.g. Vlasblom
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2016
622.