ECLI:NL:RVS:2016:2586

Raad van State

Datum uitspraak
20 september 2016
Publicatiedatum
28 september 2016
Zaaknummer
201602922/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • A.B.M. Hent
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 AwbArt. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 1 april 2016 niet in behandeling werd genomen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de gronden van het beroep ontbraken.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Hij voerde aan dat hij binnen de gestelde termijn de gronden van het beroep per fax had verzonden, wat werd ondersteund door een verzendrapport. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het verzendrapport voldoende aanleiding gaf om aan te nemen dat de gronden tijdig waren toegekomen.

Hierdoor werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten die de vreemdeling had gemaakt voor rechtsbijstand in hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

201602922/1/V3.
Datum uitspraak: 20 september 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 april 2016 in zaak nr. 16/6761 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Bij mondelinge uitspraak van 18 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.E.A. Charry, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 april 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vreemdeling in strijd met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb geen gronden van beroep heeft ingediend. Daartoe heeft zij redengevend geacht dat de vreemdeling op 5 april 2016 beroep heeft ingesteld, dat hij bij faxbericht van 7 april 2016 is geïnformeerd dat het ingediende beroepschrift niet aan de daaraan te stellen vereisten voldeed en hij in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vijf werkdagen alsnog zijn gronden van beroep in te dienen, en dat ten tijde van de uitspraak deze gronden nog niet waren ontvangen.
2. In zijn enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu hij bij faxbericht van 13 april 2016, en derhalve binnen de gestelde termijn, de gronden van het beroep aan de rechtbank heeft verzonden. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een verzendrapport overgelegd.
3. Uit het overgelegde verzendrapport kan worden afgeleid dat de vreemdeling op 13 april 2016 een aanvullend beroepschrift met daarin de gronden van het beroep succesvol heeft verzonden naar het op voormeld faxbericht van 7 april 2016 genoemde faxnummer van de rechtbank. Desgevraagd heeft de rechtbank geen nadere informatie kunnen verstrekken over de vraag of zij rond het gestelde tijdstip van verzending of op een later moment een faxbericht van de vreemdeling heeft ontvangen dat voldoet aan de omschrijving in voormeld verzendrapport. Hoewel een verzendrapport in beginsel onvoldoende is om reeds op grond daarvan ervan uit te kunnen gaan dat een bij faxbericht verzonden stuk daadwerkelijk is ontvangen, moet het er onder deze omstandigheden voor worden gehouden dat de vreemdeling zijn gronden van beroep tijdig aan de rechtbank heeft doen toekomen.
De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet over de vergoeding van deze kosten beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 april 2016 in zaak nr. 16/6761;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Verbeek
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2016
574.