ECLI:NL:RVS:2016:2680
Raad van State
- Hoger beroep
- W.D.M. van Diepenbeek
- G.M.H. Hoogvliet
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit dwangsom sloop gebouw wegens onjuiste gebruiksbestemming
Het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon legde aan appellant A een last onder dwangsom op om een zonder omgevingsvergunning gebouwd gebouw te verwijderen en het gebruik als recreatiewoning te staken. Appellant A en B stelden bezwaar en beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat appellant B geen belanghebbende is bij het besluit, omdat zijn belang voortvloeit uit een overeenkomst met appellant A en niet rechtstreeks bij het besluit betrokken is.
De Afdeling stelt vast dat het college bij het primaire besluit terecht aannam dat het gebouw geschikt werd gemaakt voor gebruik als recreatiewoning, wat in strijd is met het bestemmingsplan en niet vergunningvrij is. Echter, tijdens de bezwaarprocedure verklaarde appellant A dat het gebouw als logeergelegenheid en opslagruimte bij de woning van appellant B wordt gebruikt. Dit gebruik is niet in strijd met het bestemmingsplan en kan vergunningvrij zijn volgens het Besluit omgevingsrecht.
Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het besluit op bezwaar het handhavingsbesluit handhaaft. Daarom is het besluit op bezwaar in strijd met het motiveringsbeginsel. De Afdeling verklaart het hoger beroep van appellant A gegrond, vernietigt het besluit op bezwaar en schorst het primaire besluit tot zes weken na het nieuwe besluit. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit op bezwaar tot handhaving en dwangsom wordt vernietigd en het primaire besluit geschorst, met veroordeling van het college tot proceskostenvergoeding.