ECLI:NL:RVS:2016:2724

Raad van State

Datum uitspraak
8 juli 2016
Publicatiedatum
13 oktober 2016
Zaaknummer
201604394/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3.37f VV 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen vernietiging besluiten afwijzing verblijfsvergunning asiel

Bij besluiten van 18 mei 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde deze beroepen gegrond, vernietigde de besluiten en bepaalde dat de staatssecretaris nieuwe besluiten moest nemen met inachtneming van haar overwegingen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee de uitspraak van de rechtbank geschorst zou worden. De voorzieningenrechter overwoog dat niet is uit te sluiten dat het hoger beroep zal slagen en dat er geen bijzondere belangen zijn die schorsing in de weg staan.

Daarom werd het verzoek van de staatssecretaris toegewezen, waardoor de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2016 bij wijze van voorlopige voorziening werd geschorst. Dit betekent dat de staatssecretaris geen nieuwe besluiten hoeft te nemen voordat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M.G.J. Parkins-de Vin op 8 juli 2016.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank die de afwijzing van de verblijfsvergunningen vernietigde is bij voorlopige voorziening geschorst.

Uitspraak

201604394/2/V2.
Datum uitspraak: 8 juli 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 juni 2016 in zaken nrs. 16/10664, 16/10667 en 16/10669 in het geding tussen:
[vreemdeling A], [vreemdeling B] en [vreemdeling C], mede voor haar minderjarige kinderen
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 18 mei 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 6 juni 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft, voor zover hier van belang, bij regeling van 10 februari 2016, nummer 732095, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000; Stcrt. 2016, 8083), Mongolië aangemerkt als veilig land van herkomst in de zin van artikel 3.37f, derde lid, van het VV 2000. De rechtbank heeft deze regeling onverbindend verklaard, voor zover de staatssecretaris daarin Mongolië als veilig land van herkomst heeft aangemerkt, de onderscheiden besluiten van 18 mei 2016 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris opnieuw op de aanvragen van de vreemdelingen moet beslissen.
2. Het verzoek van de staatssecretaris komt erop neer dat hij de voorzieningenrechter verzoekt om de aangevallen uitspraak bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
Gelet op hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd, valt niet uit te sluiten dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de staatssecretaris terecht de aanvragen van de vreemdelingen heeft afgewezen. Gelet hierop en nu de schriftelijke uiteenzetting van de vreemdelingen geen blijk geeft van bijzondere belangen die er thans toe nopen dat schorsing van de aangevallen uitspraak achterwege moet blijven, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen. Deze toewijzing brengt mee dat de staatssecretaris geen nieuwe besluiten op de aanvragen hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
3. Het verzoek dient als kennelijk gegrond te worden toegewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 juni 2016 in zaken nrs. 16/10664, 16/10667 en 16/10669.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Bosma
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2016
572-802.