ECLI:NL:RVS:2016:2759
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering paspoortaanvraag minderjarige wegens ontbreken Nederlanderschap vader
De zaak betreft een hoger beroep tegen de weigering van de minister om de paspoortaanvraag van een minderjarige dochter in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op het ontbreken van het Nederlanderschap van de vader, die volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) niet op grond van een Koninklijk Besluit Nederlander is geworden.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de minister zijn besluit op goede gronden handhaafde, omdat de vader geen overtuigend bewijs had geleverd van zijn Nederlanderschap. De appellant voerde aan dat de kopie van een Koninklijk Besluit en het bevolkingsregister van Paramaribo voldoende waren om het Nederlanderschap aan te tonen, en dat de minister een strafrechtelijk onderzoek naar verduistering van naturalisatiedocumenten had moeten instellen.
De Raad van State oordeelde dat de kopie van het Koninklijk Besluit onvoldoende bewijs vormt, mede omdat dit besluit niet in het Nationaliteitenregister voorkomt en de kenmerknummers niet aan de appellant te herleiden zijn. Ook is het bevolkingsregister niet doorslaggevend. De minister had daarom terecht geen strafrechtelijk onderzoek ingesteld en het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen was terecht volgens artikel 52 van Pro de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de paspoortaanvraag bevestigd.