ECLI:NL:RVS:2016:2824
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke invordering dwangsom wegens permanente bewoning recreatieverblijf
Het college van burgemeester en wethouders van Koggenland besloot tot invordering van een dwangsom van €10.000 wegens vermeende permanente bewoning van een recreatieverblijf door de zoon van de eigenaar na het verstrijken van de begunstigingstermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van de eigenaar gegrond en vernietigde het besluit tot invordering, omdat de bevindingen van de gemeentelijke toezichthouders onvoldoende waren om permanente bewoning aan te nemen. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat de controlerapporten onvoldoende concreet waren en dat de aanwezigheid van persoonlijke spullen en frequente aanwezigheid van de zoon niet leidde tot het bewijs van permanente bewoning. Ook de daling van het gasverbruik en het gelijkblijvend water- en elektriciteitsverbruik waren onvoldoende om het college's standpunt te ondersteunen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.