ECLI:NL:RVS:2016:2955
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging relevant feit bij naturalisatie
Appellant diende in oktober 2010 een verzoek tot naturalisatie in terwijl hij een verblijfsvergunning had op basis van een duurzame en exclusieve relatie met zijn partner. Bij koninklijk besluit werd hem in maart 2011 het Nederlanderschap verleend. In februari 2015 trok de staatssecretaris dit besluit in omdat appellant bij zijn verzoek had verzwegen dat hij in 2007 een kind had gekregen bij een andere vrouw dan zijn partner, een feit dat relevant was voor de beoordeling van zijn verblijfsstatus en naturalisatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de geboorte van het kind een feit is waarvan appellant wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het relevant was voor zijn naturalisatieverzoek, omdat dit twijfel opriep over de duurzaamheid en exclusiviteit van zijn relatie waarop zijn verblijfsvergunning was gebaseerd.
De Raad nam de verklaring van de partner van appellant mee, waarin zij aangaf dat zij van 2004 tot 2007 een latrelatie met appellant had en dat hij een relatie had met een andere vrouw met wie hij een kind had. Dit maakte dat de minister terecht bedenkingen had tegen het verblijf van appellant voor onbepaalde tijd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wegens verzwijging van relevante feiten wordt bevestigd.