ECLI:NL:RVS:2016:3171
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij samenhangende Wob-zaken
De minister van Veiligheid en Justitie weigerde een verzoek tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) in behandeling te nemen. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank Oost-Brabant het bezwaar gegrond en matigde de proceskostenvergoeding wegens vermeende samenhangende zaken. De minister stelde in hoger beroep dat er wel degelijk sprake was van samenhangende zaken, waarbij 20 nagenoeg identieke bezwaarschriften gelijktijdig door dezelfde gemachtigde waren ingediend en behandeld.
De rechtbank had de minister niet in de gelegenheid gesteld de onderliggende bezwaarschriften te overleggen en had ten onrechte zelf in de zaak voorzien zonder over deze stukken te beschikken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister terecht stelde dat er sprake was van samenhangende zaken en dat de rechtbank haar oordeel niet op juiste gronden had gebaseerd.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de matiging van de proceskostenvergoeding betrof en verklaarde het beroep van de wederpartij tegen het besluit van 5 januari 2016 ongegrond. Tevens werd de minister in de proceskosten van de wederpartij veroordeeld.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de wederpartij tegen het besluit van 5 januari 2016 wordt ongegrond verklaard.