AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak projectplan Stroomlijn Nederrijn en Lek spoor 1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 30 november 2016 het verzoek van verzoekster om herziening van de uitspraak van 1 juni 2016 afgewezen. In die eerdere uitspraak was het beroep van verzoekster tegen het projectplan 'Stroomlijn Nederrijn en Lek spoor 1' en de omgevingsvergunning voor het verwijderen van bos in de uiterwaarden van de Lek ongegrond verklaard.
Verzoekster had bij brief een verzoek ingediend tot herziening op grond van artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit verzoek werd behandeld in een enkelvoudige kamer, waarbij verzoekster en de minister van Infrastructuur en Milieu verschenen.
De Raad overwoog dat herziening slechts mogelijk is indien er feiten of omstandigheden zijn die voor de uitspraak plaatsvonden, maar toen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Verzoekster bracht geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren die aan deze criteria voldeden. Haar standpunten waren reeds in de eerdere procedure betrokken.
Daarom werd het verzoek tot herziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak over het projectplan en de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe relevante feiten of omstandigheden.
Uitspraak
201604619/1/A1.
Datum uitspraak: 30 november 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend te Lexmond, gemeente Zederik,
verzoekster,
om herziening (artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1460.
Procesverloop
Bij uitspraak van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1460) heeft de Afdeling het beroep van [verzoekster] tegen het bij besluit van 2 oktober 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu vastgestelde projectplan "Stroomlijn Nedrerrijn en Lek spoor 1" en het besluit van 6 oktober 2015 van het college van burgemeester en wethouders van Zederik, waarbij omgevingsvergunning is verleend voor onder meer het verwijderen van bos in de uiterwaarden van de Lek, ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2016, heeft [verzoekster] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 november 2016, waar [verzoekster] en de minister van Infrastructuur en Milieu, vertegenwoordigd door mr. M. Heerings, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Met een verzoek om herziening kan het geschil waarin eerder onherroepelijk is beslist niet opnieuw in volle omvang aan de rechter worden voorgelegd. Een verzoek om herziening is een buitengewoon rechtsmiddel dat slechts kan worden ingeroepen indien voor de zaak relevante feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak, maar op dat moment niet bekend waren en konden zijn, alsnog bekend worden. [verzoekster] heeft dergelijke feiten en omstandigheden niet naar voren gebracht. De door haar naar voren gebrachte standpunten zijn reeds betrokken bij de uitspraak waarvan zij herziening vraagt. Dat [verzoekster] het niet eens is met de uitspraak van de Afdeling betekent niet dat de uitspraak moet worden herzien.
3. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.