ECLI:NL:RVS:2016:3177
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering zorgtoeslag wegens toeslagpartnerschap ondanks gescheiden huishouding
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de terugvordering van zorgtoeslag over 2013 bevestigde. De Belastingdienst had vastgesteld dat appellante en haar echtgenoot, persoon, toeslagpartners waren omdat zij in de GBA op hetzelfde adres stonden ingeschreven en gehuwd waren. Hierdoor werd het gezamenlijke inkomen meegeteld, wat leidde tot een nihil vaststelling van de zorgtoeslag en terugvordering van voorschotten.
Appellante voerde aan dat zij in 2013 geen gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot, die feitelijk elders woonde en dat zij geen gezamenlijke bankrekening hadden. De rechtbank oordeelde echter dat op grond van de Awir en Awr het formele criterium van inschrijving in de GBA en het ontbreken van een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed doorslaggevend is voor het partnerschap.
De Raad van State bevestigde dit oordeel en wees het beroep af. Wel erkende de Afdeling dat de Belastingdienst het bezwaar onzorgvuldig had voorbereid door stukken die de feitelijke situatie ondersteunden niet mee te nemen, maar dit leidde niet tot benadeling omdat het formele criterium doorslaggevend bleef. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en appellante kreeg vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de echtgenoot als toeslagpartner wordt aangemerkt en de terugvordering van zorgtoeslag terecht is.