ECLI:NL:RVS:2016:3200
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding in Wob-procedures tegen minister van Veiligheid en Justitie
In zeven afzonderlijke zaken hebben verzoekers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) documenten opgevraagd bij de minister van Veiligheid en Justitie. De minister verklaarde de bezwaren tegen zijn besluiten niet-ontvankelijk vanwege vermeende onvoldoende machtiging van de gemachtigde. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde echter dat de gemachtigde wel bevoegd was en verklaarde de bezwaren gegrond, waarbij de minister werd veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 992,00 per zaak.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken. De Raad van State oordeelde dat de zeven zaken als samenhangende zaken moeten worden beschouwd omdat zij gelijktijdig zijn behandeld, door dezelfde gemachtigde met nagenoeg identieke werkzaamheden, en dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met de regeling voor samenhangende zaken in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en stelde een nieuwe vergoeding vast van € 212,57 per zaak, gebaseerd op het forfaitaire stelsel van het Bpb met toepassing van een wegingsfactor voor meer dan vier samenhangende zaken. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van deze kosten aan de verzoekers.
Uitkomst: De minister is veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 212,57 per zaak voor zeven samenhangende Wob-procedures.