201602694/2/A3.
Datum uitspraak: 29 november 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te Rijswijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2014 heeft het college aan [verzoeker] een vergunning met een geldigheidsduur van 5 jaar verleend voor het omzetten van de woning aan de [locatie] te Nieuwegein in vijf onzelfstandige woonruimten.
Bij besluit van 8 januari 2015 heeft het college het door [belanghebbende A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2016 heeft de rechtbank het door [belanghebbende B] en [belanghebbende A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2015 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [belanghebbende B] en [belanghebbende A] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 19 september 2016 heeft het college het bezwaar van [belanghebbende A] gegrond verklaard en de geldigheidsduur van de omzettingsvergunning gewijzigd in 2 jaar en 6 maanden.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep tegen ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 november 2016, waar [verzoeker A], bijgestaan door mr. H. Hiestand, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A. Verhoef-Murray en C. Hofstede, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [belanghebbende B] en [belanghebbende A], bijgestaan door mr. R.J. van Rijn, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Bij het besluit van 19 september 2016 heeft het college de geldigheidsduur van de aan [verzoeker] verleende omzettingsvergunning beperkt tot 2 jaar en 6 maanden. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat uit nieuw onderzoek is gebleken dat overlast wordt veroorzaakt door de arbeidsmigranten die kamers in de woning aan de [locatie] huren. Deze overlast raakt volgens het college de grens van wat redelijkerwijs toelaatbaar moet worden geacht in een woonwijk. Ook heeft het college in aanmerking genomen dat de woon- en werkomstandigheden van [verzoeker] zijn gewijzigd, waardoor de behoefte aan een omzettingsvergunning is afgenomen.
3. [verzoeker] betoogt in haar verzoek om voorlopige voorziening dat het college de geldigheidsduur van de aan haar verleende omzettingsvergunning ten onrechte heeft beperkt tot 2 jaar en 6 maanden. Daartoe voert zij onder meer aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de bij besluit van 2 juli 2014 verleende vergunning ongewijzigd in stand zou blijven. Ook voert zij aan dat zij nog steeds behoefte heeft aan de omzetting van de zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten. [verzoeker] verzoekt om het besluit van 19 september 2016 te vernietigen en de einddatum van de vergunning op te schorten.
4. De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat zij verzoekt om het besluit van 19 september 2016 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. [verzoeker] heeft een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de geldigheidsduur van de vergunning op 9 januari 2017 verstrijkt en het niet waarschijnlijk is dat voor die datum uitspraak in de bodemprocedure is gedaan.
4.1. De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling van het verzoek de daarbij betrokken belangen afwegen en geen voorlopig oordeel geven over de kans van slagen van het beroep. Daarbij is van belang dat [verzoeker] heeft verzocht om verlenging van de termijn om beroepsgronden tegen het besluit van 19 september 2016 in te dienen.
4.2. Het belang van [verzoeker] is erin gelegen dat zij de woning aan de [locatie] kamergewijs kan blijven verhuren. Tegenover dit belang staan de belangen van de buurtbewoners bij beëindiging van de kamergewijze verhuur. Aan deze belangen komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter meer gewicht toe, nu uit het aan het besluit van 19 september 2016 ten grondslag gelegde onderzoek volgt dat de leefsituatie aan de Klingeburg ernstig is verslechterd wegens overlast vanuit de woning. De voorzieningenrechter neemt bij dit oordeel voorts nog in aanmerking dat [verzoeker] de mogelijkheid heeft om de woning als zelfstandige woonruimte te verhuren. Dat het, naar ter zitting door [verzoeker] gesteld, lastig is om dit voor 9 januari 2017 te realiseren, doet hier niet aan af. [verzoeker] heeft immers reeds vanaf 19 september 2016, de datum waarop zij naar eigen zeggen bekend werd met het besluit, de tijd gehad om naar een nieuwe huurder op zoek te gaan.
5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.
w.g. Van Altena w.g. Binnema
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2016
589.