ECLI:NL:RVS:2016:3269
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kindgebonden budget over 2010 wegens te late aanvraag
Appellante, afkomstig uit Azerbeidzjan en moeder van twee Nederlandse kinderen, kreeg in 2011 het ouderlijk gezag en een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro. Zij vroeg kindgebonden budget aan, maar alleen voor 2011 werd dit toegekend. De Belastingdienst weigerde het budget over 2010 toe te kennen omdat de aanvraag te laat was ingediend, na de wettelijke termijn van 1 april 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellante voerde aan dat het systeem van de Wet op het kindgebonden budget en het verblijfsrecht op grond van EU-recht haar ook aanspraak gaf op het budget over 2010, en dat de termijnregel de werking van het Unierecht belemmert.
De Raad van State oordeelde dat de wettelijke termijn voor het indienen van een aanvraag geldt voor iedereen, ongeacht het verblijfsrecht. De beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming worden niet geschonden door deze termijn. Appellante had tijdig een aanvraag kunnen doen, en het niet tijdig indienen betekent dat zij geen recht heeft op het budget over 2010.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kindgebonden budget over 2010 bevestigd.