ECLI:NL:RVS:2016:3341
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing toevoeging gesubsidieerde rechtsbijstand wegens feitelijke aard geschil
Appellant sub 1 vroeg om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand bij het indienen van een herzieningsverzoek inkomstenbelasting 2011. De raad voor rechtsbijstand wees de aanvraag af omdat het bezwaar uitsluitend een geschil van feitelijke of rekenkundige aard betrof. Het bezwaar van appellant sub 1 werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk en dat van appellant sub 2 ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de raad ten onrechte niet op het bezwaar van appellant sub 1 had beslist en vernietigde het besluit voor zover het bezwaar betrof. De Afdeling verklaarde het beroep van appellant sub 1 gegrond en dat van appellant sub 2 ongegrond.
De raad heeft vervolgens het bezwaar van appellant sub 1 kennelijk ongegrond verklaard met de motivering dat het geschil feitelijk van aard is en niet juridisch ingewikkeld genoeg voor toevoeging. Appellant sub 1 voerde aan dat het geschil wel juridisch complex is vanwege de uitleg van het begrip gebruikelijk loon en dat hij niet gehoord is, wat in strijd zou zijn met het EVRM.
De Afdeling oordeelde dat het geschil inderdaad feitelijk is en dat appellant sub 1 zelf of met hulp van derden het verzoek tot verlaging kan indienen. De stelling van complexiteit en risico op bestuurlijke boete werd niet aannemelijk gemaakt. Het beroep van appellant sub 1 tegen het besluit van 11 april 2016 werd ongegrond verklaard. De Afdeling veroordeelde de raad tot vergoeding van proceskosten aan appellant sub 1.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant sub 1 tegen de afwijzing van de toevoeging wordt alsnog ongegrond verklaard, met gedeeltelijke proceskostenvergoeding aan appellant sub 1.