De raad van de gemeente Duiven stelde op 2 november 2015 het bestemmingsplan "[locatie], Groessen" vast. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde in een tussenuitspraak dat het plan een gebrek vertoonde doordat de noodzakelijke landschappelijke inpassing niet planologisch was geregeld, wat essentieel is voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de functieverandering naar wonen.
De Afdeling gaf de raad de opdracht om binnen 20 weken dit gebrek te herstellen door een voorwaardelijke verplichting op te nemen in de planregels. De raad stelde daarop op 3 oktober 2016 het plan gewijzigd vast, waarbij het landschappelijk inrichtingsplan als bijlage werd toegevoegd en een voorwaardelijke verplichting werd opgenomen.
Appellant maakte geen gebruik van de gelegenheid om zienswijzen in te dienen tegen het gewijzigde plan. De Afdeling verklaarde het beroep tegen dit gewijzigde besluit ongegrond en veroordeelde de raad tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het oorspronkelijke besluit van 2 november 2015 werd vernietigd wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
Uitkomst: Het oorspronkelijke bestemmingsplan is vernietigd wegens het ontbreken van een regeling voor landschappelijke inpassing; het gewijzigde plan is ongegrond verklaard.
Uitspraak
201509117/3/R1.
Datum uitspraak: 21 december 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Groessen, gemeente Duiven,
en
de raad van de gemeente Duiven,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2015, kenmerk 15RB047, heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], Groessen" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door ing. Y.J.G. Visser, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij verschenen.
Bij tussenuitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1645, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 2 november 2015 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 3 oktober 2016, kenmerk 16RB049, heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], Groessen" gewijzigd vastgesteld.
[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak, in overweging 7.3, overwogen dat uit de notitie functieverandering blijkt dat bij functieverandering een goede inpassing van de nieuwe situatie in de omgeving belangrijk is en dat uit het Ontwikkelingskader Buitengebied Duiven blijkt dat bij functieverandering de ruimtelijke kwaliteit voorop staat en dat daarbij voor de inpassing maatwerk is vereist. Daarbij wordt beoordeeld op welke wijze nieuwe bebouwing wordt ingepast en hoe het erf wordt ingericht. Als voorwaarde is hiervoor in het Ontwikkelingskader Buitengebied Duiven gesteld dat functieverandering wordt geëffectueerd door een bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel, inclusief inrichtingsplan. Verder heeft de Afdeling overwogen dat uit de plantoelichting en de zienswijzennota blijkt dat de raad de landschappelijke inpassing van het plan noodzakelijk acht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de functieverandering naar wonen, dat bij het voorstel van het college van burgemeester en wethouders aan de raad tot vaststelling van het plan als bijlage is gevoegd het landschappelijk inrichtingsplan "Landschappelijke inrichting planontwikkeling [locatie] te Groessen" van september 2014 van Rob Aben Landschapsarchitectuur en dat de raad ter zitting heeft verklaard dat dit inrichtingsplan ziet op de noodzakelijk geachte landschappelijke inpassing. De Afdeling heeft vervolgens overwogen dat, nu het er, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, voor moet worden gehouden dat de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing noodzakelijk zijn voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, de raad de aanleg en instandhouding daarvan ten onrechte niet in het plan heeft geregeld. Niet valt in te zien dat de raad geen regel in het plan heeft kunnen opnemen, inhoudende dat de realisering van de op het betrokken perceel voorziene woningen alleen dan planologisch is toegestaan indien de landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand gehouden.
2. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 november 2015 is gelet hierop gegrond. Het besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak in de planregels een voorwaardelijke verplichting met betrekking tot de landschappelijke inpassing van het plan op te nemen.
4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 3 oktober 2016 het plan gewijzigd vastgesteld. Daarbij is het landschappelijk inrichtingsplan als bijlage 1 bij de planregels gevoegd, zijn in de artikelen 3, 4 en 5 van de planregels de gronden met respectievelijk de bestemmingen "Agrarisch", "Tuin" en "Wonen-1" tevens bestemd voor landschappelijke inpassing en is aan artikel 5 vanPro de planregels lid 5.4.1 toegevoegd, waarin met betrekking tot de landschappelijke inpassing een voorwaardelijke verplichting is opgenomen.
Artikel 5, lid 5.4.1, van de planregels luidt als volgt.
"a. Onder strijdig gebruik in de zin van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken binnen deze bestemming zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals bedoeld in lid 3.1onder i, lid 4.1onder c en lid 5.1onder f conform bijlage 1 van de regels;
b. In afwijking van het bepaalde onder a is het toegestaan gronden en/of bouwwerken overeenkomstig de bestemming te gebruiken of laten gebruiken onder de voorwaarde dat binnen twee jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de bouw van één van de woningen, zoals bedoeld in lid 5.1 onder a, de inrichting van de landschappelijke inpassing gerealiseerd is en in stand blijft conform bijlage 1 van de regels".
5. Het besluit van 3 oktober 2016 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede onderwerp van het geding.
6. [appellant] heeft naar aanleiding van het besluit van 3 oktober 2016 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant] geen bezwaren heeft tegen het besluit van 3 oktober 2016. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.
7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Duiven van 2 november 2015, waarbij het bestemmingsplan "[locatie], Groessen" is vastgesteld, gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Duiven van 2 november 2015, kenmerk 15RB047;
III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Duiven van 3 oktober 2016, waarbij het bestemmingsplan "[locatie], Groessen" gewijzigd is vastgesteld, ongegrond;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Duiven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat de raad van de gemeente Duiven aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.